Het lieve draakje Zinglok

Zinglok draak
Boekie-Boekie tijdschrift Goet-Faud uit 2006
Boekie-Boekie Goet-Faud

Het verhaal over Zinglok uit 2005 werd na een schrijfwedstrijd uitgekozen voor publicatie in het tijdschrift Boekie-Boekie (literatuur en kunst voor kinderen) voor het nummer Goet-Faud (uitgave 2006 van Autoped, Rotterdam), inclusief de illustratie van de draak (potlood, vetkrijt en waterverf). Het verhaal werd daarna ook voorgedragen tijdens een voorleesfestival in De Verkadefabriek (Den Bosch).


Er was eens een draakje dat Zinglok heette. Hij was heel lief. Hij stak vaak het kampvuur aan voor mensen. Iemand die dat niet goed vond, was zijn moeder Aalega. Zij zei: ‘Zinglok, draken moeten huisjes in brand steken, in plaats kampvuren te maken. Schaam je, Zinglok!’ Maar Zinglok trok zich er niets van aan. Toen werd zijn moeder nog bozer. Zij werd zo boos, dat ze meer op een rode draak leek, dan op een groene. Aalega zei tegen Zinglok: ‘Verdwijn onmiddellijk uit mijn ogen, ga weg!’ Zinglok deed het en ging op weg. Hij vloog heel ver weg.

Zinglok stond de volgende dag vroeg op. Hij wist niet waar hij was. Hij liep en liep, tot hij een dierentuin zag. Hij keek naar de apen, maar dat was al snel niet meer leuk. Er kwamen mensen aan, die pakten kleine Zinglok op en stopten hem in een kooi. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Wat een grote kameleon!’ Hij zat in een kooi vlakbij een leeuw. Hij zei tegen de leeuw: ‘kom, help mee te ontsnappen. Ik brand het hek bij jou door en bij mij, dan zijn we vrij.’ De leeuw vond het een goed idee. Hij had nooit geweten dat er draken bestonden. ‘Kom mee’, zei Zinglok, ‘voordat we weer opgepakt worden. Hoe heet je eigenlijk en hoe heet dit land?’ ‘Ik heet Albes’, zei de leeuw, ‘en dit land heet Dakgek-land.’ ‘Zullen we gaan vliegen?’, was het voorstel van Zinglok, ‘dan kan jij op mijn rug.’ Albes vond een goed idee. Ze vlogen over bos en wei. Albes zei: ‘Wat is het mooi hier, ik zou ook wel willen kunnen vliegen.’ ‘Maar als ik altijd voor jou vlieg, is dat toch even mooi?’, viel Zinglok in. ‘Zou je dat echt willen doen voor mij?’, vroeg Albes. ‘Natuurlijk’, zei Zinglok. Hij had dorst gekregen en wilde even drinken bij de rivier waar ze boven vlogen. Ze waren allebei moe toen ze klaar waren met drinken. Albes zei: ‘Laten we gaan slapen, het wordt donker.’ Zinglok vroeg: ‘Kan jij een verhaal vertellen, anders kan ik niet slapen.’

In de nacht kwam er een slang uit de rivier om eten te zoeken. Zinglok en Albes lagen diep te slapen, daarom merkten ze niet dat een slang op de loer lag. Toen hij wilde toeslaan zag hij het eerst Albes. Hij zag niet dat het een leeuw was. De slang beet en meteen werd Albes wakker. De slang schrok en ging naar Zinglok. Albes beet de slang in tweeën, die was meteen dood. Ondertussen was Zinglok wakker geworden en vroeg aan Albes wat er aan de hand was. Albes zei dat een slang hem op wilde eten, ‘ik heb hem doodgebeten.’ ‘Wat heb ik toch een goede vriend’, zei Zinglok. Albes kon niet meer slapen en stelde voor weer verder te vliegen. Zinglok kende een eiland van goud, en daar vlogen ze naar toe.

Ze vlogen lang en eindelijk zei Albes: ‘Hé, kijk daar, is dat het eiland van goud?’ ‘Ja, daar is het’, zei Zinglok. Echt het hele eiland was van goud. Albes vroeg: ‘mag ik een stuk goud meenemen?’ ‘Natuurlijk’, antwoordde Zinglok, ‘Het eiland is niet van mij. We bouwen een huis van goud en een schuur, dan zijn we voor altijd rijk. We zullen een stad van goud bouwen.’ ‘Terwijl jij dat doet’, zei Albes, ‘zal ik een paar dieren halen om bij ons te komen wonen’. Zinglok bouwde een stad met een hotel en winkels en Albes kwam een groep mussen tegen op het eiland en herten en nog veel meer dieren. Toen Albes vijftig dieren had gevonden gingen ze terug naar de stad, die inmiddels af was. Zinglok wees de huizen aan voor de dieren. Iedereen had het naar zijn zin en niemand vond het erg dat er gestolen werd, want de hele straat lag vol met goud. Zinglok en Albes waren blij en ze zouden nog lang en gelukkig kunnen leven, maar op een ochtend zei Albes tegen Zinglok: ‘Er gebeurt hier nooit wat, laten we weer naar de rivier gaan.’

De volgende dag zeiden ze gedag tegen de dieren. Die waren het niet gewend dat ze weggingen. ‘O, wat is het mooi om weer wat anders te zien dan goud’, zei Albes toen ze weer boven de rivier vlogen. Even later stonden ze bij de rivier en gooiden stenen in het water en deden wie het verst kon gooien. Albes won. Opeens zag Zinglok een houten ding drijven. Albes zei dat dat een bootje was, hij had het vaak gezien in de dierentuin. Je kon er ook in. Ze voeren in het bootje de hele rivier af totdat er een geruis klonk. Zinglok hoorde het het eerst, maar ze wisten niet dat het een waterval was. Ze voeren tot het randje, op maar een halve meter en nog net op tijd zei Albes: ‘Pas op, een waterval!’ Zinglok kon nog juist een tak beetpakken en trok de boot naar de oever, toen Albes zei: ‘Wat heb ik toch een goede vriend.’ Ze stapten uit de boot, die onmiddellijk daarna zonk. Een scherpe steen had de boot lek geslagen.

26 februari 2005